| De geschiedenis van het Korps Mariniers |
| Geschreven door Marcel |
| dinsdag, 15 december 2009 11:26 |
|
De "scheepssoldaten", zoals vroeger de benaming voor de mariniers luidde, zijn altijd nauw verbonden geweest met de maritieme oorlogvoering. Het is moeilijk een nauwkeurige definitie van het begrip "scheepssoldaat" te formuleren, omdat zowel de wijze van oorlogvoeren als de manier waarop men van de scheepssoldaten gebruik maakte in de loop der eeuwen veranderde. Toch is er één aspect als een rode draad met hun geschiedenis verweven : het water, de zee. Waren zij vanaf de oudheid, ten tijde van Grieken en Romeinen, tot in de 16e en 17e eeuw voornamelijk bedoeld als soldaten aan boord van schepen, speciaal opgeleid voor het nabij- en entergevecht, in een latere periode werden zij ingezet als specialisten, voor amfibische operaties. De strijd ter zee stelde bepaalde eisen; men kon van een landsoldaat niet verwachten dat hij zich snel aanpaste aan boord van een slingerend schip, waar hij een optimaal gebruik moest kunnen maken van zijn wapens. Het was dan ook niet verwonderlijk dat zich bij de opkomst van de grote maritieme Europese mogendheden de behoefte aan speciaal voor het gevecht op zee getrainde eenheden voordeed. Niet alleen op operationeel gebied maar evenzeer als handhavers van orde, tucht en discipline aan boord werd hen een specifiek militaire taak toebedeeld in de maritieme gevechtsorganisatie. Zowel in Spanje, Engeland als in Nederland werden marinierskorpsen voor dat doel in het leven geroepen. Reeds in het begin van de 17e eeuw werden in onze streken musketiers aangewezen voor de dienst op de vloot, maar pas in 1665 werden zij zodanig georganiseerd dat men kon spreken van een "Korps Mariniers". In dat jaar werd op 10 december door de Staten van Holland een resolutie aangenomen waarbij de oprichting van een regiment scheepssoldaten, het "Regiment de Marine", werd vastgesteld. Vooral Johan de Witt, raadpensionaris van Holland, en luitenant-admiraal Michiel Adriaansz. de Ruyter waren de drijvende krachten achter dit initiatief. Onder leiding van hun eerste commandant, kolonel Willem Joseph Baron van Ghent, namen mariniers deel aan de grote zeeslagen in de strijd met Engeland en Frankrijk, zoals Solebay en Kijkduin in 1672 en 1673, terwijl reeds eerder in 1667, tijdens de befaamde tocht naar Chatham, Nederlandse mariniers "amfibisch" werden ingezet op de Engelse wal. In 1674 werden zij te land gebruikt in de strijd tegen de Franse Koning Lodewijk XIV. Onder commando van Francois Palm namen zij deel aan de slag bij Seneffe, gelegen in het tegenwoordige België.Opperbevelhebber was toen Johan Maurits van Nassau, wiens wapenspreuk "Qua Patet Orbis", "zo wijd de wereld strekt", op 10 december 1946 door Koningin Wilhelmina aan het Korps Mariniers werd verbonden. De krijgsverrichtingen bij Chatham, Kijkduin en Seneffe worden dan ook als de vroegste wapenfeiten in het korpsvaandel vermeld. Na de vrede van Nijmegen in 1678 werd de sterkte van de mariniers rigoureus ingekrompen, een verschijnsel dat in tijd van vrede steeds weer zou optreden. Pas in de strijd om de Spaanse Troon (1702-1713) vond enige uitbreiding plaats. In deze periode is er voor het eerst sprake van nauwe samenwerking met de Engelse mariniers. Tijdens gecombineerde acties van de Engelse en Nederlandse vloot werden in Spanje amfibische operaties uitgevoerd, waarvan de actie tegen Gibraltar in 1704 de belangrijkste was. Achttienhonderd Britse en Nederlandse mariniers veroverden deze sterke natuurlijke vesting en daarmee de toegang tot de Middellandse zee, die sedertdien in het bezit van Engeland bleef. De Royal Marines voeren heden ten dage de naam Gibraltar nog in hun korpswapen. Na 1713 werd op de sterkte van de mariniers wederom sterk bezuinigd. Slechts enige detachementen bleven bestaan totdat in 1763 in Berbice, een kolonie ten westen van Suriname thans gelegen in Guyana, een opstand uitbrak. Op korte termijn werd een troepenmacht onder leiding van Jan Marius de Salve te Texel ingescheept om overzee orde op zaken te stellen. Bij zijn terugkeer in het vaderland besloten de Staten van Holland dit korps permanent in dienst te houden als een "Regiment mariniers tot het doen van expedities over zee en voorts op de schepen van oorlog". Duidelijk sprak uit deze beslissing dat men de noodzaak inzag om over een snel inzetbare amfibische macht te kunnen beschikken. Al spoedig, in 1773, werd deze eenheid ingezet en zelfs versterkt met een tweede regiment mariniers. Onder leiding van Kolonel Louis Henry Fourgeoud werd in Suriname de rust, die verstoord was door een slavenopstand, hersteld. De herinnering aan Fourgeoud wordt door de Tamboers en Pijpers, met een naar hem genoemde mars, levend gehouden. In het laatste conflict met Engeland (1780-1784) onderscheidden de mariniers, aan boord van Nederlandse schepen, zich tijdens de zeeslag bij Doggersbank in 1781. Na de Franse overheersing van 1795-1814, waarin de mariniers bleven bestaan onder de namen "Korps Koninklijke Grenadiers van de marine" en "fuseliers de marine" werd in 1814 weer een "bataljon mariniers" opgericht. In 1816 werden zij voor de tweede maal, in nauwe samenwerking met de Engelsen, aan boord van de vloot ingezet bij het bombardement van Algiers. Op 2 december 1817 werd de naam Korps Mariniers officieel ingevoerd. Gedurende de Belgische opstand namen de mariniers deel aan operaties langs de Schelde-oevers en in Zeeuws-Vlaanderen, maar het belangrijkste operatieterrein gedurende de 19e en het begin van de 20e eeuw lag in Nederlands-Indië, waar zij tot taak kregen dit uitgestrekte gebied mede te pacificeren en onder gezag van het koloniale bestuur te brengen. In samenwerking met vloot en landmacht namen eenheden van het korps deel aan talrijke acties.Bekend zijn vooral de acties tegen Saporoea, Bali, Borneo, Lombok, Atjeh en Boni. Gedurende de periode 1900-1940 werden de mariniers veelal ingezet bij de behartiging van de Nederlandse belangen overzee. Zo werd na de boxer-opstand in China een detachement naar Peking gezonden, ter bescherming van de Nederlandse legatie. Wegens bezuinigingen werd deze legatiewacht in 1923 opgeheven. In 1926 en 1937 hadden mariniers een aandeel in de bescherming van de Nederlanders in Sjanghai, terwijl zij in 1928 naar Curaçao gezonden werden toen een opstandeling uit Venezuela, Urbina, aldaar het Waterfort overviel. Tijdens de volksstemming in het Saargebied in 1934 - een voortvloeisel van de oprichting van de Volkerenbond - vormden mariniers een onderdeel van een internationale troepenmacht, die moest toezien op een ongestoord verloop van de verkiezingen. Uit waardering voor de vele belangrijke verdiensten voor het land ontving het korps in 1929 uit handen van H.M. Koningin Wilhelmina op het Malieveld te Den Haag het vaandel. 1940-1994. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevonden zich eenheden in Nederland, Nederlands-Indië, de Nederlandse Antillen en Suriname. Vooral bij de verdediging van de Maasbruggen in Rotterdam hebben mariniers een imponerende rol gespeeld. Verdeeld in detachementen over de vloot, namen mariniers in december 1942 deel aan de slag in de Javazee, terwijl zij op Java als bataljon waren ingedeeld bij de 3e divisie. In pogingen de Japanners te weerstaan onderscheidden zij zich o.a. in de gevechten bij Kertosono. Teneinde te kunnen deelnemen aan de acties tegen Japan in Azië, werd in 1944 in de Verenigde Staten een mariniersbrigade, naar Amerikaans model, opgericht. In Europa maakten mariniers deel uit van de Prinses Irene brigade, een eenheid die op 6 augustus 1944 in Normandië aan land ging en deelnam aan de bevrijding van Zuid-Nederland.Toen in augustus 1945 Japan capituleerde, werd de in Amerika opgeleide mariniersbrigade, die bestond uit veel oorlogsvrijwilligers met een kleine beroepskern, naar Nederlands-Indië gezonden om daar het Nederlands gezag te herstellen, nadat in 1945 de republiek Indonesia eenzijdig was uitgeroepen. In 1947 en 1948 namen de mariniers deel aan politionele acties, teneinde de rust en orde te herstellen. Na de overdracht van de soevereiniteit aan de republiek Indonesia vertrokken de laatste mariniers in 1950 naar Nederland. Van 1951 tot 1962 werden eenheden van het Korps Mariniers ingezet bij de verdediging van Nederlands Nieuw-Guinea. Tijdens de confrontatiepolitiek van Indonesië voerden zij acties uit tegen infiltranten en vooral in de kritieke periode 1960-1962 namen marinierseenheden veelvuldig deel aan acties tegen Indonesische parachutisten in de bijzonder ontoegankelijke jungle. In 1962 deed Nederland afstand van zijn laatste gebied in Azië en werden de Nederlandse strijdkrachten teruggetrokken. In 1969 ontstonden er op Curaçao onlusten. Om deze onlusten te stoppen werden eenheden Nederlandse mariniers overgevlogen en ingezet. Tijdens de zeventiger jaren werd de Bijzondere Bijstand Eenheid van het Korps Mariniers (BBEMARNS) ingezet tijdens verschillende gijzelingsacties in Nederland. Voorbeelden hiervan zijn: Scheveningen (1974), Wijster/Amsterdam (1975), De Punt/Bovensmilde (1977) en Assen (1978). Niet alleen uit de Korpsgeschiedenis maar ook de afgelopen jaren is gebleken dat het Korps Mariniers expeditionair is ingesteld en overal ter wereld kan worden ingezet. Vanaf 1991 is het Korps Mariniers actief betrokken geweest in acht zogenaamde Peace Support Operations (PSO): , Provide Comfort (Irak, 1991); UNTAC (Cambodja, 1992-1993); UNMIH (Haiti, 1995-1996); SFOR/Deliberate Force (Bosnie, 1995); AFOR/Allied Harbour (Albanie, 1999); UNMEE (Ethiopie/Eritrea, 2000-2001); SFOR/STRATRES (Bosnie, 2002); SFIR (Irak, 2003-2004).
Bron: Koninklijke Marine |
| Laatst aangepast op zondag, 27 december 2009 16:23 |